ECLI:NL:RBDHA:2024:11989
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring vreemdeling en verzoek om schadevergoeding
De minister heeft op 10 april 2024 aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 26 juli 2024, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.
De rechtbank heeft eerder de maatregel van bewaring getoetst en geoordeeld dat deze tot 21 juni 2024 rechtmatig was. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij het verkrijgen van een laissez passer, waardoor de bewaring onnodig wordt verlengd. De rechtbank oordeelt echter dat de minister adequaat heeft gehandeld door tijdig te reageren op verzoeken van de Algerijnse consul en door herhaaldelijk contact te zoeken.
Verder is vastgesteld dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting, onder meer door het weigeren van een diplomatieke presentatie. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat zicht op uitzetting ontbreekt, mede omdat de Algerijnse autoriteiten medewerking verlenen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.