Eiser diende op 4 augustus 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder moest binnen zes maanden beslissen, met een verlenging van negen maanden op grond van de WBV 2022/22. Eiser stelde verweerder op 13 maart 2024 in gebreke nadat de beslistermijn van 21 maanden op 4 mei 2024 was overschreden.
De rechtbank overwoog dat de overschrijding van de beslistermijn een ernstige tekortkoming is, maar dat een zorgvuldige besluitvorming binnen een kortere termijn mogelijk moet zijn. Daarom werd een termijn van acht weken opgelegd om alsnog een besluit te nemen, korter dan het gebruikelijke 8+8 wekenmodel van de ABRvS.
Verder werd verweerder verplicht een dwangsom van €100 per dag te betalen bij niet-naleving, met een maximum van €7.500, conform de toepasselijke artikelen van de Awb, ondanks de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.
Het beroep werd gegrond verklaard, het niet tijdig genomen besluit vernietigd, en verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser ad €437,50 wegens inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Skerka.