ECLI:NL:RBDHA:2024:12181

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2024
Publicatiedatum
5 augustus 2024
Zaaknummer
AWB 24-11279
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening overplaatsing minderjarige naar meerderjarigenopvang

Verzoeker heeft asiel aangevraagd en verklaard minderjarig te zijn, waarna hij aanvankelijk in een opvang voor minderjarigen werd geplaatst. Na onderzoek door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is hij echter als meerderjarig aangemerkt vanwege verschillende geboortedata in andere landen en een leeftijdsonderzoek in België. Verzoeker is daarop overgeplaatst naar een opvang voor meerderjarigen.

Verzoeker betwist zijn meerderjarigheid en stelt dat het leeftijdsonderzoek in België onbetrouwbaar is en dat hij een geboorteakte heeft overgelegd die zijn minderjarige leeftijd bevestigt. Verweerder stelt dat hij mag uitgaan van de leeftijdsbepaling van de IND en dat verzoeker geen authentieke documenten heeft overgelegd die twijfel rechtvaardigen. Verweerder heeft contact met de IND gehad, die bevestigde dat geen nieuw leeftijdsonderzoek is gestart.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder in lijn met jurisprudentie heeft gehandeld door uit te gaan van de IND-bepaling, aangezien verzoeker geen concrete aanwijzingen heeft geleverd die twijfel over zijn leeftijd rechtvaardigen. Ook het beroep op een arrest van het Hof van Justitie slaagt niet. Verzoeker heeft geen bijzondere opvangbehoefte gesteld die een andere beslissing rechtvaardigt. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot overplaatsing naar een minderjarigenopvang wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/11279

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Coenen),
en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. D. van de Braak - Lensen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen zijn plaatsing in een opvangvoorziening voor volwassenen. Hij vraagt de voorzieningenrechter om in afwachting van de uitkomst van dat bezwaar te bepalen dat hij zo snel mogelijk in een opvangvoorziening voor minderjarigen wordt geplaatst
2. Verweerder heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen zitting nodig is om op het verzoek te beslissen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank bevoegd zal zijn om te oordelen over een eventueel beroep van verzoeker tegen het nog door verweerder te nemen besluit op het bezwaar van verzoeker. Gelet hierop is de voorzieningenrechter bevoegd om een voorlopige voorziening te treffen. [2] Een voorlopige voorziening wordt verder alleen overwogen als gelet op de betrokken belangen in dit geval niet kan worden gewacht op een beslissing van verweerder op het bezwaar. Die situatie doet zich hier voor aangezien verzoeker stelt dat hij minderjarig is en minderjarigen niet in een meerderjarigenopvang horen te worden opgevangen.
5. Verzoeker heeft op 17 april 2024 asiel gevraagd in Nederland. Daarbij heeft hij verklaard dat hij is geboren op [datum 1] 2008 en dat hij de Syrische nationaliteit heeft. Omdat verzoeker op grond van deze gegevens minderjarig is, is hij destijds opgevangen in een locatie voor minderjarigen. Na nader onderzoek door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is verzoeker op 30 mei 2024 in de asielprocedure aangemerkt als meerderjarig en is zijn leeftijdsregistratie hierop aangepast. Reden hiervoor is dat verzoeker in België, Italië en Luxemburg met uiteenlopende geboortedatums geregistreerd staat. De in België aangehouden geboortedatum van [datum 2] 2004 is gebaseerd op een aldaar uitgevoerd leeftijdsonderzoek. Naar aanleiding van de gewijzigde leeftijdsregistratie heeft verweerder verzoeker op 14 juni 2024 overgeplaatst naar een opvang voor meerderjarigen.
6. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte als meerderjarige is aangemerkt en dat hij als gevolg daarvan ten onrechte is overgeplaatst naar een opvanglocatie voor meerderjarigen. Verzoeker wijst er daarbij op dat hij eerder, na een leeftijdsschouw van zowel de IND als de AVIM [3] , als evident minderjarig is beoordeeld. Van de uitkomst van het leeftijdsonderzoek in België kan de IND volgens hem niet uitgaan omdat uit verschillende bronnen blijkt dat er kritiek is op deze leeftijdsonderzoeken. Verder stelt verzoeker dat hij bij de IND inmiddels een geboorteakte heeft overgelegd waaruit ook zijn minderjarige leeftijd blijkt.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij mag uitgaan van de door de IND bepaalde leeftijd van verzoeker. De IND is belast met de leeftijdsbepaling van vreemdelingen en het is niet aan verweerder om de zorgvuldigheid daarvan te beoordelen. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling [4] van 15 mei 2024 [5] . Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaar contact gezocht met de IND. Die heeft aangegeven dat eiser zijn gestelde minderjarigheid niet met authentieke identificerende documenten heeft aangetoond en evenmin zelf een leeftijdsonderzoek is gestart. De overgelegde geboorteakte is volgens de IND geen identificerend document. Verweerder stelt dat hij zich hierover niet kan niet uitlaten. Verweerder erkent wel dat hij onderzoek moest doen naar de (bijzondere) opvangbehoefte van verzoeker, maar zo’n eventuele bijzondere behoefte doet als zodanig niet af aan de in dit geval aan te houden meerderjarigheid.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
8. Voor de onderbouwing van het verzoek heeft verzoeker verwezen naar de gronden van bezwaar. Wat verzoeker daarin aanvoert over noodzakelijke rechtsbescherming tegen de leeftijdsbepaling door de IND, ziet niet op het bestreden besluit van verweerder en kan dan ook niet tot toewijzing van het verzoek leiden.
9. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de door verweerder aangehaalde uitspraak, mag verweerder in beginsel uitgaan van de leeftijdsbepaling door de IND, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn leeftijd, bijvoorbeeld als een vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij bij de IND is opgekomen tegen de leeftijdsbepaling en op welke gronden hij dat heeft gedaan. In dat geval moet verweerder navraag doen bij de IND over de leeftijdsbepaling en daarover in samenspraak met de IND zelf een standpunt vormen in het kader van de opvangbehoeften van de vreemdeling.
10. Uit de reactie van verweerder op het verzoek om voorlopige voorziening volgt dat verweerder in lijn hiermee heeft gehandeld. Gelet op de reactie van de IND heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er geen concreet aanknopingspunt voor twijfel over de leeftijd van verzoeker bestaat. Dat verzoeker in bezwaar alsnog de mogelijkheid heeft om zijn gestelde leeftijd nader te onderbouwen, levert als zodanig niet die twijfel op. Verweerder stelt daarbij terecht dat verzoeker tot aan de leeftijdsbepaling door de IND ook overeenkomstig ‘the presumption of minor age’ is behandeld. Het beroep van verzoeker op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 juli 2022 (Arboe en Camara tegen Italië) [6] slaagt daarom niet.
11. Verzoeker heeft buiten de gestelde minderjarigheid geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan in zijn geval een bijzondere opvangbehoefte zou moeten worden aangenomen die niet zal kunnen worden geboden vanuit de opvang voor volwassenen. Ook in zoverre is er daarom vooralsnog geen grond om aan te nemen dat de beslissing om verzoeker in de volwassenenopvang te plaatsen in bezwaar geen stand zal houden.
12. Het verzoek is naar het oordeel van de voorzieningenrechter kennelijk ongegrond en zal daarom worden afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 juli 2024 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
de griffier is niet in de gelegenheid
om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is mogelijk op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
2.Zie artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUDO00579717.