ECLI:NL:RBDHA:2024:12192

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2024
Publicatiedatum
5 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.29142
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting Tunesië afgewezen

Eiser, een Tunesische nationaliteit hebbende minderjarige, is op 28 februari 2024 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek schriftelijk gesloten op 26 juli 2024.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 18 juni 2024, omdat zij eerder al had vastgesteld dat de maatregel tot die datum rechtmatig was. Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en dat er geen zicht op uitzetting naar Tunesië was, omdat de Tunesische autoriteiten niet reageerden op een lp-aanvraag van 20 februari 2024.

De rechtbank oordeelde dat het uitblijven van reactie van Tunesische autoriteiten niet betekent dat er geen zicht op uitzetting is, mede omdat eiser zijn medewerking niet volledig verleent. Verweerder heeft sinds 18 juni 2024 meerdere stappen ondernomen, waaronder vertrekgesprekken met eiser, rappels bij Tunesische autoriteiten en een persoonlijke onderbrenging van de zaak bij de consul op 23 juli 2024.

De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende voortvarend handelt en dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29142

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 26 juli 2024.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2005 en de Tunesische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [1] Uit de uitspraak van 24 juni 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 18 juni 2024, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 18 juni 2024.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat geen sprake is van zicht op uitzetting. Op 20 februari 2024 is eiser schriftelijk gepresenteerd bij de Tunesische autoriteiten. De Tunesische autoriteiten hebben hierop niet gereageerd, ondanks rappels. Na ruim vijf maanden zonder reactie kan niet worden volgehouden dat een reëel zicht op uitzetting bestaat. Verder had verweerder eisers zaak eerder dan 23 juli 2024 onder de aandacht van de Tunesische autoriteiten moeten brengen. Eiser verzoekt (subsidiair) verweerder verslag te laten doen van het persoonlijke rappel op 23 juli 2024.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Op 20 februari 2024 is een aanvraag voor een lp [2] verstuurd naar de Tunesische autoriteiten. Dat de Tunesische autoriteiten sindsdien nog niet hebben gereageerd, is onvoldoende voor de conclusie dat geen lp aan eiser zal worden afgegeven. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 24 juni 2024 heeft overwogen, kan eiser het traject bespoedigen door zijn medewerking te verlenen. Uit het dossier volgt dat eiser dit nog altijd verzuimt. Er kan niet worden vastgesteld dat zicht op uitzetting ontbreekt als eiser wel zijn medewerking zou verlenen. Het enkele uitblijven van een reactie op de lp-aanvraag rechtvaardigt onder deze omstandigheden niet de conclusie dat zicht op uitzetting ontbreekt.
6. Verder is gebleken dat verweerder sinds 18 juni 2024 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en twee keer heeft gerappelleerd bij de Tunesische autoriteiten. Daarnaast is in het voortgangsrapport opgenomen dat de zaak van eiser op 23 juli 2024 door de landverantwoordelijke van de DIA [3] persoonlijk onder de aandacht van de consul wordt gebracht. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door de zaak niet eerder dan 23 juli persoonlijk onder de aandacht van de consul te brengen. Met de eerder genoemde uitzettingshandelingen werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
7. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat het voortduren van de
maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment
onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitspraken van 19 maart 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:4028), 10 mei 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:7402) en 25 juni 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:9968).
2.Laissez-passer.
3.Directie Internationale Aangelegenheden.