Eiseres diende op 23 januari 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder moest binnen zes maanden beslissen, met een verlenging van negen maanden onder WBV 2023/3. Eiseres stelde verweerder op 11 mei 2024 in gebreke en stelde daarna beroep in wegens het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een beslistermijn van zestien weken op, waarbij verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit moet nemen.
Daarnaast wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres van €437,50 wegens de gemaakte kosten voor het indienen van het beroepschrift.
De rechtbank wijst erop dat de dwangsom mogelijk is ondanks een tijdelijke wet die dit zou uitsluiten, omdat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State deze wet onverbindend heeft verklaard. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier L.M. Kalkman en is op 16 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.