De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van de Natuur en Milieufederatie Zuid-Holland tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland om ontheffing te verlenen voor het verjagen met afschot van grauwe en kolganzen op percelen met kwetsbare gewassen gedurende de winterperiode.
Verweerder baseerde het besluit op het Faunabeheerplan Ganzen 2022-2027 en stelde dat de ontheffing noodzakelijk is ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. Eisers betwistten de noodzaak van de ontheffing, de afbakening van kwetsbare gewassen, de onderbouwing van schade, de inzet van lokmiddelen, en het gebruik van het geweer buiten reguliere uren.
De rechtbank oordeelde dat de Wet natuurbescherming van toepassing is, dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een concrete dreiging van belangrijke schade bestaat, en dat de ontheffing niet verder gaat dan strikt noodzakelijk. De toegewezen methoden zijn toegestaan en het gebruik van het geweer van een half uur voor zonsopkomst tot een half uur na zonsondergang is verantwoord. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.