ECLI:NL:RBDHA:2024:12716
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, van Syrische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.
Eiser stelde dat Italië verantwoordelijk zou zijn en dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, mede vanwege het niet meenemen van correcties en aanvullingen en vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder mentale stress en een relatie met een beschermde persoon uit Syrië. De rechtbank oordeelde dat de correcties niet wezenlijk waren voor de besluitvorming en dat Duitsland terecht als verantwoordelijke lidstaat was aangemerkt.
De rechtbank overwoog dat de situatie van eiser een terugnamesituatie betreft waarbij Nederland geen beroep kan doen op hoofdstuk III van de Dublinverordening, tenzij sprake is van een uitzondering die hier niet van toepassing is. Ook concludeerde de rechtbank dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat er geen bewijs is voor structurele tekortkomingen in Duitsland die een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro opleveren.
Verder werd vastgesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een duurzame relatie heeft met zijn vermeende verloofde, zodat artikel 9 van Pro de Dublinverordening niet van toepassing is. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.