ECLI:NL:RBDHA:2024:12762

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 augustus 2024
Publicatiedatum
14 augustus 2024
Zaaknummer
NL23.40794
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 VwArt. 43a VwArt. 6:12 AwbArt. 8:57 AwbRichtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet verstreken beslistermijn asielaanvraag onder tijdelijke bescherming

Eiser diende op 22 april 2022 een asielaanvraag in en stelde de minister op 25 juli 2023 schriftelijk in gebreke vanwege het uitblijven van een beslissing. De minister verweerde zich met het argument dat eiser onder de richtlijn tijdelijke bescherming valt, waardoor de beslistermijn is verlengd tot zes maanden na afloop van deze bescherming.

De rechtbank stelde vast dat eiser pas op 7 juli 2023 administratief als rechthebbende van tijdelijke bescherming werd geregistreerd en dat dit besluit niet op correcte wijze aan eiser was bekendgemaakt. Pas met de brief van 21 juli 2023 werd het besluit formeel bekendgemaakt, waardoor de beslistermijn verlengd werd tot uiterlijk 4 september 2024.

Omdat de beslistermijn nog niet was verstreken, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack en is openbaar gemaakt op 9 augustus 2024.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn op zijn asielaanvraag nog niet is verstreken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.40794

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Thelosen),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag van 22 april 2022.
2. Dit beroep is eerder beoordeeld, in de zaak met nummer NL23.22874. [1] Het beroep is toen niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen deze uitspraak gerichte verzet is, voor zover het betrekking heeft op eiser, gegrond verklaard op 10 april 2024. [2]
3. Verweerder heeft op 13 juni 2024 een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

5. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [3]
6. Eiser heeft op 22 april 2022 een asielaanvraag ingediend. Hij heeft verweerder op 25 juli 2023 schriftelijk in gebreke gesteld, omdat hij zich op het standpunt stelt dat de beslistermijn is verlopen op 22 juli 2023.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de termijn om te beslissen op de asielaanvraag nog niet is geëindigd omdat eiser onder de werking van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [4] (hierna: de richtlijn) valt. Volgens verweerder betekent dit dat hij tot zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming mag beslissen over de asielaanvraag.
8. Op grond van artikel 42, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) beslist verweerder binnen zes maanden na ontvangst van de asielaanvraag. Deze termijn is bij WBV [5] 2022/22 voor asielaanvragen die zijn ingediend na 1 januari 2022, met toepassing van artikel 42, vierde lid, van de Vw, verlengd tot 15 maanden. Op grond van artikel 43a van de Vw geldt voor vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten dat op hun asielaanvraag pas hoeft te zijn beslist zes maanden na afloop van die tijdelijke bescherming.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser volgens de informatie van verweerder vóór 6 juli 2023 in elk geval niet geregistreerd is geweest als rechthebbende. Hieruit moet worden afgeleid dat er vóór die datum geen beslissing is genomen over eisers recht op tijdelijke bescherming. Verweerder heeft het tegendeel niet aangetoond. Dat eiser op zijn naam wel brieven heeft ontvangen waarin ervan werd uitgegaan dat eiser tijdelijke bescherming had gekregen, is niet voldoende om te kunnen zeggen dat een besluit van die strekking op ordentelijke wijze aan eiser bekend is gemaakt. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat eiser zelf herhaalde malen bij verweerder heeft gevraagd om duidelijkheid omdat zijn asielprocedure niet werd voortgezet.
10. Uit de informatie van verweerder volgt dat de registratie van eiser op 7 juli 2023 administratief is aangepast, in de zin dat eiser valt onder de groep rechthebbenden op tijdelijke bescherming. Dit kan worden aangemerkt als een besluit. Eiser is hiervan echter niet persoonlijk op de hoogte gesteld. Nu het besluit van verweerder om eiser onder de werking van de richtlijn te brengen niet op de volgens de Awb voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, is dit besluit op dat moment niet in werking getreden. Eerst met de op 21 juli 2023 aan eiser gerichte brief waarin hem wordt meegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming wordt verlengd tot 4 september 2023 kan worden gesteld dat het besluit van 7 juli 2023 tot het verlenen van tijdelijke bescherming aan eiser bekend is gemaakt.
11. Op grond van de WBV 2022/22 had verweerder uiterlijk 22 juli 2023 op de asielaanvraag moeten beslissen. Nu eiser op die datum onder de werking van de richtlijn is gebracht, is de termijn om te beslissen op de asielaanvraag daarmee verlengd tot zes maanden na het einde van de tijdelijke bescherming. De tijdelijke bescherming is formeel geëindigd op 4 maart 2024. Hieruit volgde dat verweerder uiterlijk op 4 september 2024 moet hebben besloten op de asielaanvraag van eiser. Nog daargelaten dat de tijdelijke bescherming sindsdien feitelijk wordt gecontinueerd, is de termijn om te beslissen op de asielaanvraag van eiser dus nog niet verstreken.
12. Gelet hierop is het beroep niet-ontvankelijk.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 9 augustus 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Uitspraak van 8 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19389.
3.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
4.Richtlijn 2001/55/EG
5.Wijzigingsbesluit Vreemdelingenwet.