Verzoeker, een Syriër, diende een asielaanvraag in Nederland in, nadat hij eerder in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming had ingediend. De Nederlandse minister verlengde de overdrachtstermijn op grond van vermeend onderduiken van verzoeker, die meerdere meldplichten zou hebben gemist en als met onbekende bestemming was geregistreerd.
Verzoeker betwistte het onderduiken en stelde dat hij slechts één meldplicht had gemist en het COa op de hoogte was van zijn verblijf bij zijn neef wegens depressie. De voorzieningenrechter constateerde dat het besluit tot verlenging onvoldoende gemotiveerd was en dat er reeds een voorlopige voorziening gold die overdracht verbood. Tevens was geen overdracht in voorbereiding, waardoor onderduiken met het doel overdracht te voorkomen onaannemelijk was.
De voorzieningenrechter wees het verzoek tot schorsing van het verlengingsbesluit toe en beval dat verzoeker opvang moet worden geboden totdat op het beroep is beslist. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister in de proceskosten van verzoeker.