ECLI:NL:RBDHA:2024:12938
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
Eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, is op 9 mei 2024 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft de rechtbank geïnformeerd over het voortduren van deze maatregel, waarna eiser beroep instelde tegen de voortzetting van de bewaring en tevens een verzoek om schadevergoeding indiende.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op 9 augustus 2024 en beoordeeld of de bewaring nog rechtmatig is. Eiser stelde dat de annulering van een verplichte persoonlijke presentatie door de Algerijnse autoriteiten wijst op onvoldoende medewerking en twijfelde aan het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Tevens betoogde hij dat de bewaring onnodig lang duurt omdat hij zelf wel meewerkend is.
De rechtbank oordeelde dat het lopende onderzoek naar de identiteit van eiser niet betekent dat nationaliteit en identiteit niet bevestigd kunnen worden. Het lp-traject loopt nog niet zo lang dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Bovendien heeft eiser onvoldoende medewerking verleend, onder meer door op 11 juni en 15 juli 2024 te verklaren niet te zullen meewerken. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld met meerdere appèls en vertrekgesprekken.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.