Eiser diende op 3 januari 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden en een verlengingstermijn van negen maanden, stelde eiser de minister op 24 april 2024 in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Op 20 mei 2024 werd beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank constateert dat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Het beroep wordt dan ook kennelijk gegrond verklaard. De rechtbank wijkt af van het gebruikelijke 8+8-wekenmodel en stelt een uiterste beslistermijn van 28 november 2024 vast, waarbij de minister wordt opgedragen binnen deze termijn een besluit te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100,- per dag op voor elke dag dat de minister na deze datum in gebreke blijft, met een maximum van €7.500,-. Tevens worden de proceskosten van eiser vastgesteld op €437,50 en aan de minister opgelegd.