Eiser diende op 10 november 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden, verlengd met negen maanden, een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 24 april 2024 in gebreke en startte op 20 mei 2024 beroep wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de beslistermijn van maximaal 21 maanden is verstreken zonder besluit. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na deze uitspraak alsnog een besluit te nemen, waarbij een dwangsom van €100 per dag geldt bij overschrijding, met een maximum van €7.500.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is gebaseerd op relevante wetsartikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, evenals jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.