ECLI:NL:RBDHA:2024:13168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 augustus 2024
Publicatiedatum
19 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.31242
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling ongegrond verklaard

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is op 22 juni 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek schriftelijk gesloten op 14 augustus 2024.

De rechtbank overwoog dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek op 10 juli 2024 rechtmatig was. De beoordeling richtte zich daarom op de periode daarna. Eiser stelde dat er onvoldoende voortvarend werd gehandeld en dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn.

Uit de voortgangsrapportage bleek dat de autoriteiten twee keer rappelleerden bij de Algerijnse instanties en dat er twee vertrekgesprekken met eiser zijn gevoerd. De rechtbank achtte dit voldoende voortvarend handelen. Tevens was er geen aanwijzing dat het zicht op uitzetting binnen zes maanden was verdwenen. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31242

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 22 juni 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 14 augustus 2024 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1978 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juli 2024 [1] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 10 juli 2024.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije. Verweerder heeft namelijk twee keer gerappelleerd en daarop is nog geen reactie gekomen.
5. Uit het voortgangsrapport blijkt dat er twee keer is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en dat er twee vertrekgesprekken zijn gevoerd met eiser, sinds hij op 22 juni 2024 in bewaring zit. Dit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend.
6. De rechtbank is verder, onder verwijzing naar de recente uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2024, [2] van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Algerije in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. Op 28 juni 2024 is de LP [3] -aanvraag verzonden naar de Algerijnse autoriteiten en niet gebleken is dat de Algerijnse autoriteiten geen LP zullen afgeven voordat de termijn van zes maanden, genoemd in artikel 59, vijfde lid, van de Vw, is verstreken. Het feit dat er nog niet is gereageerd op de twee rappels is hiervoor onvoldoende.
7. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 augustus 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

3.Laissez-passer.