Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
€ 7.500,-.
Beslissing
D. Drent, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende op 18 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in bij de minister van Asiel en Migratie. Nadat de beslistermijn van zes maanden was verstreken zonder besluit, stelde eiser de minister op 29 april 2024 in gebreke. Vervolgens werd op 23 mei 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat het beroep gegrond is. De rechtbank wijst op de wettelijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000 die een termijn van zes maanden voorschrijven, met een mogelijke verlenging van maximaal negen maanden. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig is ontvangen.
De rechtbank wijkt af van het 8+8-wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en stelt een uiterlijke beslistermijn van 8 weken na 21 maanden na ontvangst van de aanvraag, zijnde 13 november 2024. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op, met een maximum van € 7.500,-, indien de minister niet binnen deze termijn beslist.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en is zonder zitting uitgesproken op 21 augustus 2024.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op uiterlijk 13 november 2024 een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.