ECLI:NL:RBDHA:2024:13516
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsgat en ingangsdatum verblijfsvergunning zoekjaar in strijd met Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel
Eiseres, met de Indonesische nationaliteit, verbleef sinds 2018 in Nederland op basis van een verblijfsvergunning voor studie, geldig tot 30 juni 2023. Op 5 juli 2023 vroeg zij een wijziging aan naar een verblijfsvergunning regulier met als doel het zoekjaar, welke werd toegekend met ingang van die datum. Hierdoor ontstond een verblijfsgat van enkele dagen.
Eiseres stelde dat dit verblijfsgat onevenredig was en in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, mede omdat het verblijfsgat haar kansen op permanente verblijfsvergunning en naturalisatie zou schaden. Zij voerde aan dat het te laat indienen niet aan haar te wijten was vanwege onjuiste informatie van haar onderwijsinstelling en technische problemen bij het aanvragen.
De rechtbank oordeelde dat het beleid rond wijziging van verblijfsdoel anders is dan verlenging en dat artikel 26, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning niet eerder kan ingaan dan de datum van ontvangst van de aanvraag. De rechtbank vond dat de minister terecht het beroep ongegrond verklaarde, omdat het verblijfsgat niet onevenredig was en het te laat indienen niet verschoonbaar was. De rechtbank wees erop dat een verklaring van de onderwijsinstelling had volstaan om de aanvraag eerder in te dienen.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning zoekjaar wordt ongegrond verklaard.