Eiser, een Algerijnse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, werd op 8 augustus 2024 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze maatregel stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep op 23 augustus 2024 behandelde.
De rechtbank oordeelde dat eiser terecht onder de categorie vreemdelingen valt waarvoor bewaring is toegestaan, mede vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf na een afgewezen asielaanvraag en opgelegd terugkeerbesluit. Hoewel de informatieplicht niet volledig werd nageleefd, werd dit gebrek gecompenseerd doordat eiser tijdens het gehoor met tolk is geïnformeerd over de gronden en rechtsmiddelen. De belangenafweging viel daardoor in het voordeel van de minister uit.
De rechtbank vond dat de minister voldoende zware en lichte gronden had gemotiveerd, waaronder het onttrekken aan toezicht, het niet naleven van terugkeerverplichtingen, en het ontbreken van vaste woonplaats en middelen. Ook was een lichter middel niet doeltreffend. De medische situatie van eiser werd meegewogen, maar vormde geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.
De rechtbank constateerde dat de minister voortvarend heeft gewerkt aan uitzetting, met meerdere vertrekgesprekken en aanvragen voor laissez-passer. Het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt niet, mede omdat eiser niet actief meewerkt. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar de minister werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.750 vanwege de schending van de informatieplicht.