ECLI:NL:RBDHA:2024:1416

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 februari 2024
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
NL24.2550
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 96 lid 3 Vw
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen voortduren bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

De staatssecretaris heeft op 19 augustus 2023 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op 2 februari 2024, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en overwogen dat de maatregel tot 22 december 2023 reeds rechtmatig was bevonden in een eerdere uitspraak.

De rechtbank beoordeelt het voortduren van de bewaring vanaf 22 december 2023 en stelt vast dat de staatssecretaris voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Marokko. Er is zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede doordat de Marokkaanse autoriteiten meewerken aan het verstrekken van reisdocumenten en nationaliteitsbevestigingen.

Eiser stelde dat de detentie zwaar valt en dat een lichter middel passend zou zijn, maar de rechtbank oordeelt dat de belangenafweging niet in zijn voordeel uitvalt en dat geen nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd die een ander oordeel rechtvaardigen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2550

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,

(gemachtigde: K.J. Diender).

Procesverloop

De staatssecretaris heeft op 19 augustus 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 december 2023 (in de zaak NL23.38540) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 22 december 2023 rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 december 2023.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Eiser stelt dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Eiser voert aan dat niet voortvarend wordt gehandeld aan de uitzetting door de staatssecretaris. Hiertoe voert eiser aan dat hij nog steeds niet in persoon is gepresenteerd, terwijl al op 21 december 2023 duidelijk was dat voor het verkrijgen van een laissez passer (lp) van de Marokkaanse autoriteiten een presentatie in persoon vereist is. Eiser stelt voorts dat er een belangenafweging moet worden gemaakt die in zijn voordeel moet uitvallen. Hiertoe voert eiser aan dat de detentie hem zwaar valt en hij al ruim vijf maanden gedetineerd is. Eiser stelt daarnaast dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel. Hiertoe voert eiser aan dat hij in afwachting van een presentatie aan een meldplicht kan voldoen en bij zijn zus kan wonen.
4. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser en dat er in het geval van eiser zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko bestaat. De rechtbank overweegt dat blijkens de voortgangsrapportage de Directe Internationale Aangelegenheden (DIA) op 21 december 2023 heeft aangegeven dat er een gesprek wordt ingepland tussen de Marokkaanse autoriteiten en eiser en dat de staatssecretaris op 27 december 2023 en 11 januari 2024 DIA per mail heeft verzocht of er een gespreksdatum bekend is. Uit de voortgangsrapportage en het ter zitting verhandelde blijkt verder dat de staatssecretaris op 21 december 2023, 11 januari 2024 en 1 februari 2024 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en dat er sinds de sluiting van het vorige onderzoek op 2 januari 2024, op 16 januari 2024 en op 30 januari 2024 gerappelleerd is op de lp-aanvraag. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de autoriteiten van Marokko meewerken aan het verstrekken van reisdocumenten en dat er nationaliteitsbevestigingen plaatsvinden. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 juni 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:8706). Dat de Marokkaanse autoriteiten, ondanks de rappels, nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag, is onvoldoende voor de conclusie dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het geval van eiser ontbreekt. De aanvraag om een lp loopt nog. Hierdoor bestaat nog steeds de mogelijkheid dat de Marokkaanse autoriteiten aan eiser een lp zullen verstrekken. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanknopingspunten dat op dit moment het zicht op uitzetting naar Marokko in het geval van eiser ontbreekt. De stelling van eiser dat de staatssecretaris invloed dient uit te oefenen op de Marokkaanse autoriteiten volgt de rechtbank niet, nu de staatssecretaris ten aanzien van de afgifte van een lp en het inplannen van de presentatie afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Marokkaanse autoriteiten in het geval van eiser geen medewerking zullen verlenen.
4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat een belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen of dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser nog geen zes maanden in bewaring zit, waardoor de belangenafweging vooralsnog in het voordeel van de staatssecretaris uitvalt. De rechtbank stelt vast dat het opleggen van een lichter middel is getoetst in het eerste beroep van eiser. [1] De rechtbank stelt vast dat eiser geen nieuwe omstandigheden naar voren heeft gebracht die zouden moeten leiden tot een ander oordeel. De rechtbank is niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13570, onder lichter middel.