Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], geboren op
Procesverloop
Overwegingen
naoverdracht in een artikel 4 Handvest Pro-situatie zal geraken. Dit is niet het geval. Hoewel het gehoor van eiser uiterst summier is en er zeer weinig vragen zijn gesteld om na te gaan welke ervaringen eiser heeft opgedaan in de Bulgaarse asielprocedure en opvang, is eiser wel in de gelegenheid gesteld om verklaringen hierover af te leggen. Eiser heeft verklaard dat hij is geschopt door de autoriteiten en op de vraag of hij daarover in Bulgarije heeft geklaagd, heeft eiser verklaard dat hij dat niet heeft gedaan omdat hij niet wist of de Bulgaarse autoriteiten vergelijkbaar als de Syrische autoriteiten handelen. Eiser heeft geen correcties en aanvullingen ingediend en eiser heeft ook geen zienswijze ingediend. Hoewel elke uitoefening van lichamelijk en psychisch geweld jegens derdelanders door de autoriteiten van de lidstaten gekwalificeerd kan worden als een inbreuk op de menselijke waardigheid en integriteit, brengt dit niet zonder meer mee dat de rechtbank de overdracht op grond van de Dublinverordening moet of kan verbieden. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat hij geen correcties en aanvullingen en zienswijze heeft ingediend omdat eiser gedurende die fase van de procedure is overgeplaatst naar een andere opvanglocatie en dat niet aan hem was medegedeeld. De rechtbank overweegt dat het goed zou zijn als opvanglocaties de overplaatsing van vreemdelingen zou mededelen aan hun gemachtigden zodat wordt voorkomen dat vreemdelingen de uitnodiging om de procedure te bespreken ook daadwerkelijk ontvangen en de gemachtigde niet hoeft te achterhalen waar zijn cliënt verblijft. De rechtbank overweegt ook dat het wenselijk is dat gemachtigden eerder in contact worden gebracht met hun mogelijke latere cliënten om zo beter bijstand te kunnen verlenen. De rechtbank overweegt echter dat verweerder in reactie hierop terecht heeft aangegeven dat de omvang en kwaliteit geen beroepsgrond is. De rechtbank overweegt voorts dat eiser voldoende gelegenheid heeft gekregen om zijn bezwaren tegen een overdracht naar voren te brengen. En hoewel de rechtbank begrijpt dat het lastig is om proceshandelingen te verrichten als de overplaatsing van een cliënt pas duidelijk wordt omdat tweemaal niet wordt gereageerd op een uitnodiging om het gehoor te bespreken, valt het wel onder de verantwoordelijkheid van de gemachtigde om contact te onderhouden met zijn cliënt. Dat er geen correcties en aanvullingen en geen zienswijze zijn ingediend omdat dit contact niet heeft plaatsgevonden, betekent niet dat verweerder niet mag uitgaan van dit gehoor en betekent niet dat het besluit niet had mogen worden genomen op basis van dit gehoor en het uitgebrachte voornemen. De rechtbank stelt ook vast dat de gemachtigde op geen enkel moment in de procedure heeft aangegeven dat eiser alsnog een zienswijze wilde indienen of aanvullingen op het gehoor naar voren wilde brengen. Pas nadat de rechtbank hierover vragen heeft gesteld, is namens eiser aangegeven dat hij het gehoor onvolledig acht en dit had willen benoemen voordat het besluit is genomen. De rechtbank stelt daarom vast dat de procedure zorgvuldig is verlopen. In aanvulling hierop merkt de rechtbank op dat verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting is ingegaan op alle aanvullingen en verklaringen die na het besluit door eiser naar voren zijn gebracht. Eiser heeft dus al zijn bezwaren tegen een mogelijke overdracht naar voren kunnen brengen, verweerder heeft al deze bezwaren beoordeeld en ter zitting aangegeven het overdrachtsbesluit te handhaven. Ook de rechtbank heeft kennis genomen van alle bezwaren van eiser en heeft eiser, vanzelfsprekend, ter zitting in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en vragen te stellen.
na overdrachtzal geraken en alleen de situatie
op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaathierbij betrokken dienen te worden en betrokken mogen worden. De vereiste minimale ernst van de schending van artikel 4 Handvest Pro dient bovendien voort te vloeien uit de asielprocedure en/of de toegang tot en/of kwaliteit van de opvang, waarbij de “ondergrens” van deze vereiste ernst de -hoge- drempel is die het Hof heeft geduid in het Jawo-arrest.