Eiser diende op 1 september 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister besloot niet tijdig op deze aanvraag, waarna eiser de minister op 11 december 2023 in gebreke stelde en op 22 januari 2024 beroep instelde tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke beslistermijn, inclusief een verlenging van negen maanden wegens een groot aantal aanvragen, op 2 december 2023 is verstreken. Omdat de minister sindsdien niet heeft beslist en eiser rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld, is het beroep kennelijk gegrond.
De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 en bepaalt dat de minister binnen zestien weken na de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van €437,50 aan eiser.