ECLI:NL:RBDHA:2024:14668

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 september 2024
Publicatiedatum
16 september 2024
Zaaknummer
NL24.33285 + NL24.34148
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en overdrachtsbesluit vreemdeling

De minister heeft op 19 augustus 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 23 augustus 2024 is een overdrachtsbesluit genomen waarbij eiser aan Duitsland zou worden overgedragen. Eiser stelde beroep in tegen beide besluiten en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de piketmelding voor het recht op rechtsbijstand tijdig is gedaan, namelijk kort na het begin van het gehoor op 19 augustus 2024. Eiser is voldoende geïnformeerd dat het gehoor ook de volgende dag met een advocaat kon plaatsvinden, hetgeen eiser bewust heeft afgewezen. De rechtbank vindt geen schending van het recht op rechtsbijstand.

Verder concludeert de rechtbank dat de maatregel van bewaring aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voldoet en dat het beroep tegen het overdrachtsbesluit ongegrond is, mede omdat eiser geen aanvullende gronden heeft aangevoerd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring en het overdrachtsbesluit ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.33285 en NL24.34148

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2024 (het bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Bij besluit van 23 augustus 2024 (het bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiser een overdrachtsbesluit opgelegd, waarin is meegedeeld dat eiser zal worden overgedragen aan Duitsland.
Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 1 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 2 september 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over het bestreden besluit 1:
Is er tijdig een piketmelding uitgegaan?
1. Eiser voert aan dat de minister het recht op rechtsbijstand heeft geschonden. Eiser betoogt allereerst dat de minister de piketmelding had moeten doen op het moment dat hij werd opgehouden. Daarnaast betoogt eiser dat hij onvoldoende is gewezen op het feit dat het gehoor ook de volgende dag had kunnen plaatsvinden met de aanwezigheid van een advocaat. Eiser wijst hierbij ter onderbouwing op de uitspraken van 4 oktober 2021 en 13 oktober 2021 van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [1]
1.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring tijdig in kennis gesteld moet worden van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden. Hieruit volgt dus niet dat de minister al op het moment van de ophouding een piketmelding aan de Raad voor Rechtsbijstand moet sturen. Uit het proces-verbaal van ophouding blijkt dat eiser op 19 augustus 2024 om 19.55 uur is overgenomen en opgehouden (aansluitend aan strafrechtelijke heenzending), en dat eiser om 20.00 uur door middel van een tolk heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht op bijstand van een advocaat in geval van gehoor. Uit het proces-verbaal van gehoor (de M110) blijkt dat het gehoor voorafgaand aan de bewaring is begonnen (op 19 augustus 2024) om 20:15 uur. Eiser heeft aan het begin van het gehoor verklaard een advocaat bij het gehoor te willen. Vervolgens is er om 20:28 uur per mail een piketmelding uitgegaan voor eiser. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de piketmelding tijdig is uitgegaan. Deze piketmelding is de volgende dag om 7.05 uur doorgezet door de piketcentrale en om 7.15 uur geaccepteerd door de gemachtigde van eiser. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat eiser voldoende is gewezen op het feit dat het gehoor ook de volgende dag kon plaatsvinden in het bijzijn van een advocaat. De minister heeft op zitting toegelicht dat hij voorafgaand aan de zitting contact heeft gehad met de ambtenaar die namens hem de maatregel van bewaring heeft opgelegd. De betrokken ambtenaar heeft toegelicht dat eiser tijdens het gehoor is voorgehouden om het gehoor de volgende dag te laten plaatsvinden in het bijzijn van een advocaat. Hierop heeft eiser te kennen gegeven gehoord te willen worden op dezelfde avond. Dat blijkt ook uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de bewaring, waarin eiser heeft verklaard: “Ik vind het goed dat mijn advocaat mij morgen komt bezoeken. U kunt mij nu vragen stellen.” Dat de mededeling om het gehoor de volgende dag te laten plaatsvinden in het bijzijn van een advocaat niet als zodanig in het proces-verbaal is opgenomen geeft de rechtbank geen aanleiding om aan de uitleg van de minister ter zitting te twijfelen. In zoverre is deze zaak ook anders dan de aangehaalde Afdelingsuitspraken van 4 oktober 2021 en 13 oktober 2021, omdat in die zaken eiser niet was voorgehouden om het gehoor de volgende dag te laten plaatsvinden in het bijzijn van een advocaat. Het recht op rechtsbijstand is dus niet geschonden.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]
Over bestreden besluit 2
Is er een geldig overdrachtsbesluit genomen?
3. De rechtbank merkt op dat het beroepschrift gronden bevat maar dat deze geen raakvlak hebben met het overdrachtsbesluit. De gemachtigde van eiser heeft op zitting aangegeven de gronden ten aanzien aanzien van het overdrachtsbesluit van 23 augustus 2024 niet te willen aanvullen. Het beroep tegen dit besluit is daarom ongegrond.
Conclusie
4. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 4 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2207 en ABRvS 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2300.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.