ECLI:NL:RVS:2021:2207
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- B. Meijer
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inbewaringstelling wegens onthouden recht op advocaat voorafgaand aan gehoor
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 19 april 2021 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze inbewaringstelling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof het recht van de vreemdeling om bij het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling bijstand van een advocaat te krijgen. De vreemdeling stelde dat hem niet is medegedeeld dat hij kon wachten op een advocaat en dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad. De staatssecretaris erkende dat de vreemdeling niet expliciet is geïnformeerd over het recht om te wachten op een advocaat.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het recht op advocaat niet was geschonden en dat de vreemdeling niet in zijn belangen was geschaad. Het verzuim om de vreemdeling te informeren over zijn recht op bijstand maakte de inbewaringstelling onrechtmatig, aangezien geen zwaarwegende belangen van de staatssecretaris waren gebleken die dit gebrek konden rechtvaardigen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, kende de vreemdeling een schadevergoeding toe van € 200 over de periode van 19 tot en met 20 april 2021 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van € 2.244. De maatregel van bewaring was inmiddels opgeheven, zodat een bevel tot opheffing niet nodig was.
Uitkomst: De inbewaringstelling is onrechtmatig verklaard en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.