ECLI:NL:RBDHA:2024:14959
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verblijfsvergunningen wegens procedurele gebreken en opdracht tot nieuwe besluitvorming
Deze uitspraak betreft beroepen van meerdere eisers tegen besluiten van 6 mei 2022 over hun verblijfsvergunningen. De rechtbank bouwt voort op een eerdere tussenuitspraak van 28 juni 2024, waarin werd vastgesteld dat de hoorzittingen niet op juiste wijze zijn afgenomen, waardoor de besluiten onvoldoende gemotiveerd zijn en in strijd met de wet zijn genomen.
De minister heeft ervoor gekozen geen gebruik te maken van de mogelijkheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Daarom verklaart de rechtbank de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten. Ook het besluit van eiser, dat afhankelijk is van de besluiten van de andere eisers, wordt vernietigd.
De minister krijgt de opdracht om binnen 12 weken nieuwe besluiten te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers, vastgesteld op €3.500 vanwege de zwaarte en complexiteit van de zaak.
De rechtbank bespreekt in deze uitspraak niet alle beroepsgronden, met name die over het verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM Pro, omdat de minister nieuwe besluiten moet nemen die deze discussie mogelijk overbodig maken.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, en is openbaar bekendgemaakt op 19 september 2024.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de bestreden verblijfsvergunningen en draagt de minister op binnen 12 weken nieuwe besluiten te nemen.