ECLI:NL:RBDHA:2024:14987
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring in asielzaak wegens prematuur ingediende ingebrekestelling ongegrond verklaard
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag het verzet behandeld tegen een eerdere uitspraak van 30 mei 2023 waarin het beroep van opposant niet-ontvankelijk werd verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling. Opposant had verzet aangetekend maar niet verzocht om een mondelinge behandeling, waarna de rechtbank zonder zitting uitspraak deed.
Opposant stelde dat er sprake was van divergentie in de rechtspraak over de rechtsgeldigheid van de verlenging van beslistermijnen in asielzaken via het WBV 2022/22, en verwees naar eerdere uitspraken van verschillende zittingsplaatsen. De rechtbank oordeelde echter dat deze verschillen geen redelijke twijfel over het oordeel in de aangevallen uitspraak opleverden.
De rechtbank benadrukte dat in verzet alleen wordt getoetst of er redelijke twijfel bestaat over het eerdere oordeel, en dat inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden pas aan de orde komt als het verzet gegrond wordt verklaard. Omdat opposant geen nieuwe argumenten aanvoerde die twijfel konden doen ontstaan, werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de eerdere niet-ontvankelijkverklaring in stand.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en staat geen hoger beroep of nieuw verzet tegen open.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.