Eiser heeft op 6 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden, verlengd met negen maanden wegens een groot aantal aanvragen, een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 7 februari 2024 in gebreke en diende op 22 februari 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat eiser rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld, waarna meer dan twee weken zijn verstreken. Het beroep wordt dan ook kennelijk gegrond verklaard. De rechtbank past jurisprudentie toe en bepaalt dat de minister binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-. De minister wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50. De uitspraak is gedaan door rechter S. Ketelaars – Mast en griffier B.A. Smit en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.