ECLI:NL:RBDHA:2024:15450
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 ongegrond verklaard
De minister heeft op 5 september 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.
Eiser voerde onder meer aan dat het terugkeerbesluit ontbrak in het dossier, dat de informatieplicht van artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 niet was nageleefd, dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit wel in het dossier aanwezig was, maar dat de minister niet volledig had voldaan aan de informatieplicht. Desondanks vond de rechtbank dat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitviel, mede omdat eiser tijdens het gehoor met behulp van een tolk mondeling was geïnformeerd en een advocaat was toegevoegd.
Verder concludeerde de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend handelde bij het aanvragen van een laissez-passer en dat het op de weg van eiser lag zijn identiteit te verduidelijken. Ook was er volgens de rechtbank geen reden om aan te nemen dat een lichter middel dan bewaring toereikend zou zijn, gezien het risico op onttrekking en het feit dat eiser al langere tijd onrechtmatig verbleef zonder medewerking aan zijn vertrek.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.