ECLI:NL:RBDHA:2024:16072
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor meerdere personen. De aanvraag werd ingediend op 18 juli 2023 en de minister had uiterlijk 16 januari 2024 moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde de minister op 5 juni 2024 rechtsgeldig in gebreke en diende op 2 juli 2024 het beroep in, dat tijdig en kennelijk gegrond werd verklaard.
De minister voerde aan dat hij het FIFO-principe hanteert voor de behandeling van nareisaanvragen en verzocht om aanhouding van het beroep of een ruime beslistermijn met een lagere dwangsom. De rechtbank wees dit af omdat de minister geen overmacht aannemelijk maakte en het beroep niet aanhouden zich niet verhoudt tot de aard van het rechtsmiddel.
De rechtbank oordeelde dat het hier een bijzonder geval betreft en legde een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens werd een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500 opgelegd. De reeds verbeurde bestuurlijke dwangsommen van €1.442 werden vastgesteld en de minister werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding.