Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
[geboortedatum] 1997.
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Het Hof heeft in het arrest C, B en X, punt 75, overwogen dat bewaring alleen kan met inachtneming van algemene en abstracte regels waarin de vereisten voor bewaring zijn vastgelegd. Om de daadwerkelijke naleving van deze vereisten te verzekeren, moet de bewaringsrechter kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring te beoordelen (punt 87). Voor die beoordeling is in dit geval het volgende van belang.
7 mei 2024. Die rechtmatigheid kan pas aan de orde komen in een beroep tegen de beslissing op bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2024 om het Unierechtelijke verblijfsrecht van eiser in te trekken. De rechtbank kan dan, gelet op deze uitspraak van de Afdeling, ook geen inhoudelijk oordeel geven over de vraag of de uitreiking van de beschikking op juiste wijze heeft plaatsgevonden en of de (mogelijke) termijnoverschrijding verschoonbaar is en zo ja, of het bezwaar een kans van slagen maakt. De Afdeling leidt uit het arrest C. B. en X. immers af dat de rechtbank enkel, al dan niet ambtshalve, mag (en moet) nagaan of aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de bewaringsmaatregel is voldaan. Al deze inhoudelijke aspecten en de ontvankelijkheidsvraag van het bezwaar mogen dus niet door de bewaringsrechter worden beoordeeld.
nietis vermeld dat de beslissing op bezwaar alleen in Nederland mag worden afgewacht als
tijdigbezwaar is gemaakt tegen het besluit.”. Eiser heeft hierbij ook aangegeven dat het een bewuste keuze van verweerder moet zijn geweest omdat anders geen sprake is van een effectief rechtsmiddel in die situaties waarin termijnoverschrijdingen verschoonbaar zijn of verschoonbaar kunnen en/of moeten worden geacht. Eiser heeft verder aangegeven dat hij zich in de bewaarprocedure onder meer op het standpunt gaat stellen dat de bezwaartermijnen die zijn opgenomen in het reguliere vreemdelingenrecht in strijd zijn met het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel en verwijst daarbij naar een Conclusie van Widdershoven van 7 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:476) en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.
Beslissing
- bepaalt dat de op 1 oktober 2024 opgelegde maatregel met ingang van 4 oktober 2024 onrechtmatig ten uitvoer is gelegd;
- verklaart het beroep gegrond;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaringsmaatregel;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.