Eiser stelde beroep in tegen het besluit van 29 augustus 2023 waarbij zijn tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG werd beëindigd. Verweerder trok dit besluit bij brief van 19 februari 2024 in. De rechtbank vroeg eiser vervolgens of hij het beroep wilde handhaven, maar ontving geen reactie.
Gezien de intrekking van het besluit en het ontbreken van reactie van eiser, concludeerde de rechtbank dat er geen procesbelang meer was. Daarom werd het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank baseerde zich hierbij op artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, dat een beslissing zonder zitting toestaat bij een kennelijke uitkomst.
Hoewel het beroep op het moment van indiening terecht was, veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager en griffier S. Mohandes en openbaar gemaakt op 14 oktober 2024.