ECLI:NL:RBDHA:2024:16772

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
16 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.39377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling ongegrond

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, maakte bezwaar tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 18 april 2024 was opgelegd en op 13 september 2024 was opgeheven. Hij verzocht tevens om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid van de bewaring.

De rechtbank stelde vast dat zij de rechtmatigheid van de bewaring tot 6 september 2024 reeds had beoordeeld en toen had geoordeeld dat deze rechtmatig was. Daarom richtte de beoordeling zich uitsluitend op de periode na 6 september 2024.

Eiser stelde dat de bewaring vanaf 3 augustus 2024 onrechtmatig was vanwege onvoldoende voortvarendheid van verweerder bij het opstarten van een nieuwe laissez-passer-aanvraag na ontvangst van bericht van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank verwierp dit verweer omdat de periode daarvoor niet ter toetsing stond en in de relevante periode geen onrechtmatigheid was vastgesteld.

De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39377

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 13 september 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 14 oktober 2024.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2005 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [1] Uit de uitspraak van 12 september 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 6 september 2024, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 6 september 2024.
4. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring per 3 augustus 2024 onrechtmatig moet worden geacht, omdat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Op 3 augustus 2024 is bericht ontvangen van de Algerijnse autoriteiten dat de nationaliteit van eiser niet is bevestigd, waarna de lp-aanvraag [2] bij de Algerijnse autoriteiten is afgesloten. Pas op 16 augustus 2024 heeft verweerder weer uitzettingshandelingen verricht, namelijk het voeren van een vertrekgesprek en het opstarten van een lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat verweerder dertien dagen heeft gewacht met het opstarten van een nieuwe lp-aanvraag, maakt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
5. Zoals onder 3 uiteengezet is, is bij uitspraak van 12 september 2024 geoordeeld dat de maatregel van bewaring in de periode van 1 augustus 2024 tot 6 september 2024 rechtmatig was. De periode voorafgaand aan 6 september 2024 ligt daarom nu niet ter toetsing voor. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in de te beoordelen periode onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
6. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 oktober 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitspraken van 2 mei 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6962), 10 juni 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:9480), 2 augustus 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:12236) en 12 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:14577).
2.Aanvraag voor een laissez-passer.