Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] , eiser 1, v-nummer: [V-nummer 1]
[minderjarige 1]en
[minderjarige 2]
Rechtbank Den Haag
Eisers, Kazachse staatsburgers, vroegen op 3 maart 2024 asiel aan in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam hun aanvragen niet in behandeling omdat Tsjechië verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening, omdat eisers eerder in Tsjechië asiel hadden aangevraagd.
Eisers voerden aan dat zij in Tsjechië vanwege hun moslimachtergrond geen asielvergunning kregen, vrezen uitzetting naar Kazachstan en wijzen op onvoldoende opvang en behandeling in Tsjechië, met bijzondere aandacht voor de belangen van hun minderjarige kinderen.
De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt: lidstaten mogen ervan uitgaan dat andere lidstaten asielzoekers correct behandelen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er systematische tekortkomingen zijn in Tsjechië. Hun eerdere ervaringen en de situatie in Kazachstan zijn onvoldoende om hiervan af te wijken.
Verweerder heeft voldoende rekening gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen, zoals vereist in het IVRK en de Dublinverordening. De beroepen worden ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.
Uitkomst: De beroepen tegen de niet-inhoudelijke behandeling van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.