ECLI:NL:RBDHA:2024:17119
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Tsjechië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op 7 oktober 2024, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. De rechtbank toetst of Nederland terecht het interstatelijk vertrouwensbeginsel toepast en of de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar de situatie in Tsjechië.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het asiel- en opvangsysteem in Tsjechië zodanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro-Handvest. Ook is geen objectieve informatie gebleken die de minister niet kende en die een nadere vergewisplicht zou opleggen.
De rechtbank verwijst naar recente jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die bevestigen dat Nederland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Tsjechië. De enkele erkenning van moeilijke omstandigheden in Tsjechië door de minister is onvoldoende om dit te weerleggen.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en blijft het bestreden besluit in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.