ECLI:NL:RBDHA:2024:17168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
22 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.39795
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing onrechtmatige maatregel van bewaring en toekenning schadevergoeding aan asielzoeker

Eiser werd op 12 april 2024 in bewaring gesteld en op 8 oktober 2024 opnieuw, nadat hij op 3 oktober 2024 een asielaanvraag had ingediend. De minister had de vorige maatregel van bewaring echter te laat omgezet, waardoor eiser drie dagen onrechtmatig in bewaring verbleef. De minister bood hiervoor een schadevergoeding aan.

De rechtbank oordeelt dat deze te late omzetting een ernstige schending van het fundamentele recht op vrijheid van eiser inhoudt. Dit leidt ertoe dat ook de huidige maatregel van bewaring van 8 oktober 2024 onrechtmatig is vanaf het begin. De minister kon de onrechtmatigheid eenvoudig voorkomen en de argumenten van de minister over de weekendperiode worden verworpen.

De rechtbank beveelt daarom de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring en kent een schadevergoeding van €1.500 toe voor vijftien dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Daarnaast worden de proceskosten van €1.750 aan eiser toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven en eiser ontvangt een schadevergoeding van €1.500.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39795
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S. Kowsari).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser is op 12 april 2024 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring gesteld. Op 4 oktober 2024 is een verlengingsbesluit genomen, omdat eiser vanaf 9 oktober 2024 zes maanden in bewaring verblijft. Op 7 oktober 2024 stond voor eiser een vlucht gepland naar Algerije. Deze vlucht is geannuleerd, omdat eiser op 3 oktober 2024, na kennisneming van de vluchtgegevens, een asielaanvraag heeft ingediend. Naar aanleiding van de asielaanvraag van eiser is de maatregel van bewaring van 12 april 2024 op 8 oktober 2024 opgeheven en is eiser op dezelfde dag op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw in bewaring gesteld. Aan eiser is vervolgens schadevergoeding aangeboden voor de periode van 5 oktober 2024 tot en met 7 oktober 2024, omdat hij na zijn asielaanvraag nog drie dagen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring heeft doorgebracht.
Eiser stelt dat de maatregel van bewaring van 8 oktober 2024 vanaf het begin onrechtmatig is. De te late omzetting van de vorige maatregel van bewaring is een dermate ernstige schending van eisers fundamentele rechten, dat de onrechtmatigheid van de vorige
maatregel moet doorwerken in de huidige maatregel van bewaring. Daarbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 oktober 20241. In de zaak van eiser is de vorige maatregel van bewaring drie dagen te laat omgezet. Daarbij komt dat de minister heeft toegegeven dat er sprake is van een te late omzetting van de vorige maatregel van bewaring, aangezien de minister eiser een schadevergoeding voor drie dagen onrechtmatige bewaring heeft aangeboden.
3. De minister deelt het standpunt van eiser niet. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een ernstige schending van eisers fundamentele rechten, waardoor de te late omzetting van de vorige maatregel door zou werken in de huidige maatregel van bewaring. Dat de vorige maatregel van bewaring een paar dagen te laat is omgezet, is niet fataal voor de huidige maatregel van bewaring.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de minister aan eiser bij brief van 9 oktober 2024 een schadevergoeding heeft aangeboden voor de periode van 5 oktober 2024 tot en met 7 oktober 2024, omdat de vorige maatregel van bewaring niet tijdig is omgezet. Hiermee heeft de minister erkend dat eiser ten tijde van zijn vorige maatregel van bewaring drie dagen onrechtmatig in bewaring heeft doorgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee komen vast te staan dat de vorige maatregel onrechtmatig heeft voortgeduurd als gevolg waarvan eiser drie dagen zonder rechtstitel in bewaring is gehouden. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor sprake is van een ernstige schending van eisers fundamentele recht op vrijheid en is daarom met eiser van oordeel dat de vaststelling van deze onrechtmatigheid moet doorwerken in de beoordeling van de huidige maatregel van bewaring. Wat de minister hierover ter zitting heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De stelling van de minister dat eiser zijn asielwens kort voor het weekend kenbaar heeft gemaakt en in het weekend geen medewerkers beschikbaar zijn om de maatregel van bewaring te kunnen omzetten, is daarvoor onvoldoende. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister op basis van de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) al een termijn van twee kalenderdagen is gegund om een maatregel bij een grondslagwijziging tijdig om te zetten. Gelet op de relatieve eenvoud, waarmee de onrechtmatige bewaring van eiser na zijn asielaanvraag had kunnen worden voorkomen2, is de rechtbank van oordeel dat de huidige maatregel van bewaring van 8 oktober 2024 vanaf het begin onrechtmatig is en beveelt zij daarom de opheffing van deze maatregel van bewaring met ingang van vandaag. Het beroep is gegrond.

Conclusie

5. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag. Op grond van artikel 106 Vw Pro kan de rechtbank, als zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van bewaring, van 15 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = €1.500, -.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van €1.500, -, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.750, -.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl en is uitgesproken en bekend gemaakt op:
22 oktober 2024

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.