Eiser werd op 12 april 2024 in bewaring gesteld en op 8 oktober 2024 opnieuw, nadat hij op 3 oktober 2024 een asielaanvraag had ingediend. De minister had de vorige maatregel van bewaring echter te laat omgezet, waardoor eiser drie dagen onrechtmatig in bewaring verbleef. De minister bood hiervoor een schadevergoeding aan.
De rechtbank oordeelt dat deze te late omzetting een ernstige schending van het fundamentele recht op vrijheid van eiser inhoudt. Dit leidt ertoe dat ook de huidige maatregel van bewaring van 8 oktober 2024 onrechtmatig is vanaf het begin. De minister kon de onrechtmatigheid eenvoudig voorkomen en de argumenten van de minister over de weekendperiode worden verworpen.
De rechtbank beveelt daarom de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring en kent een schadevergoeding van €1.500 toe voor vijftien dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Daarnaast worden de proceskosten van €1.750 aan eiser toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.