ECLI:NL:RBDHA:2024:17176
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen machtiging voorlopig verblijf
Eiseres heeft op 12 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid in het kader van nareis. Nadat de minister niet tijdig had beslist, stelde eiseres de minister bij brief van 19 juli 2023 in gebreke, welke door de minister op 27 juli 2023 werd ontvangen. Op 3 augustus 2023 diende eiseres een beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank had eerder dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, maar verklaarde het verzet van eiseres gegrond zodat het beroep opnieuw behandeld moest worden. Bij de behandeling op 24 september 2024 stond centraal de vraag wanneer de termijn van twee weken, bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, Awb, aanvangt.
De rechtbank oordeelt dat deze termijn begint op de dag na ontvangst van de ingebrekestelling door het bestuursorgaan, niet op de dag van verzending of opstelling van de ingebrekestelling. De minister ontving de ingebrekestelling op 27 juli 2023, waardoor de termijn startte op 28 juli 2023 en eindigde op 10 augustus 2023. Omdat het beroep op 3 augustus 2023 werd ingediend, is het prematuur en voldoet het niet aan de wettelijke vereisten.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter H. Hanssen-Telman.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het prematuur is ingediend.