ECLI:NL:RBDHA:2024:17183
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard verzet tegen Dublin-besluit over overdracht aan Tsjechië
De opposant, van Iraanse nationaliteit, had een asielaanvraag ingediend die door de minister niet in behandeling werd genomen vanwege de verantwoordelijkheid van Tsjechië volgens het Dublin-verdrag. De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 3 september 2024 ongegrond zonder zitting, omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten aanzien van Tsjechië en er geen aanwijzingen zijn voor structurele tekortkomingen in het Tsjechische asielstelsel.
Tegen deze uitspraak stelde opposant verzet in, stellende dat hij gehoord had willen worden en dat er risico is op indirect refoulement bij overdracht aan Tsjechië. De rechtbank oordeelde dat het verzet zich beperkt tot de vraag of het terecht was zonder zitting uitspraak te doen, en dat de aangevoerde gronden geen twijfel zaaien over de uitkomst.
De rechtbank stelde ambtshalve vast dat opposant procesbelang heeft omdat hij nog in Nederland verblijft en contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Na afweging verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond, handhaafde de uitspraak van 3 september 2024 en wees proceskostenvergoeding af. Er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard en de uitspraak van 3 september 2024 blijft in stand.