Uitspraak
Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Eiser betoogde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk nog steeds geldt en dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet juist was toegepast. Hij verwees naar problematische opvangsituaties in Frankrijk, waaronder het ontbreken van medische zorg, wat voor hem levensgevaarlijke situaties kan veroorzaken.
De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft ingegaan op de zienswijze van eiser en de aangehaalde bronnen. De minister heeft onderbouwd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 en Pro waarom het vertrouwensbeginsel blijft gelden. De stelling dat klagen bij Franse autoriteiten niet leidt tot oplossing is onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en handhaaft het besluit van de minister. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.