Eiser, van Turkse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vermeende vervolging wegens toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging, politieke activiteiten en dienstweigering. Hij was lid van de oppositiepartij CHP en had kritische berichten op sociale media geplaatst, die hij onder druk van zijn werkgever had verwijderd. Tevens vreest hij militaire dienstplicht.
Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar. De rechtbank oordeelt dat het besluit een motiveringsgebrek bevat en vernietigt het besluit. Verweerder heeft echter nadere motivering gegeven die de rechtbank voldoende acht om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.
De rechtbank concludeert dat eiser geen diepgewortelde politieke overtuiging aannemelijk heeft gemaakt die hem een gegronde vrees voor vervolging oplevert. Ook is onvoldoende gebleken dat hij ernstige gewetensbezwaren heeft tegen militaire dienst of dat hij risico loopt op onevenredige bestraffing.
De vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging is niet geloofwaardig onderbouwd; de ervaren werkdruk en scheldpartijen zijn niet door de overheid veroorzaakt. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten aan eiser.
Het beroep is gegrond, het besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.