ECLI:NL:RBDHA:2024:17268
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, met de Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling, omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht op grond van artikel 6 van Pro de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat de toegang tot gezondheidszorg in Frankrijk beperkt is, met name voor zijn minderjarige kind dat een hoge sterkte bril nodig heeft, en dat hij persoonlijk negatieve ervaringen had met het Franse opvangsysteem. Hij stelde dat hierdoor sprake zou zijn van onevenredige hardheid en dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. Tevens wees hij op risico’s van refoulement en systeemfouten in Frankrijk.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro bij overdracht aan Frankrijk. Het interstatelijke vertrouwensbeginsel blijft van toepassing, mede gelet op recente jurisprudentie en het AIDA-rapport. Ook is onvoldoende onderbouwd dat eiser bijzonder kwetsbaar is in de zin van het Tarakhel-arrest.
Verder is het belang van het kind meegewogen, maar onvoldoende gebleken dat het welzijn van het kind een asielprocedure in Nederland noodzakelijk maakt. De vrees voor indirect refoulement kan binnen de Dublinprocedure niet worden beoordeeld zolang het vertrouwensbeginsel geldt. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.