Op 16 april 2024 heeft de verdachte samen met anderen een vrouw gevolgd van Amsterdam naar Den Haag en haar op brute wijze beroofd van persoonlijke eigendommen, waaronder een ketting, handtas, mobiele telefoon en sleutelbos. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte medepleger was bij deze diefstal met geweld.
De verdachte ontkende betrokkenheid en gaf aan alleen in Amsterdam te zijn geweest, maar deze verklaring werd door de rechtbank als ongeloofwaardig verworpen op basis van camerabeelden, telefoongegevens en getuigenverklaringen. De rechtbank vond dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten.
De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden, rekening houdend met de ernst van het feit, het vooropgezette karakter van de roof, de psychische gevolgen voor het slachtoffer en het strafblad van de verdachte. De officier van justitie had 24 maanden geëist, de verdediging pleitte voor 9 maanden.
De benadeelde partij vorderde ruim € 39.000 aan schadevergoeding, waarvan de rechtbank € 7.536,85 toewijst, bestaande uit materiële en immateriële schade. De vordering voor gederfde inkomsten werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De verdachte werd hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten, met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.