ECLI:NL:RBDHA:2024:17395
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling NiNbi-beschikking voor pensioenuitkering bij woonplaatswijziging binnen EU
Belanghebbende, een Nederlandse burger die in 2020 tot 1 juli in België woonde en daarna in Nederland, ontving een pensioenuitkering uit een Nederlandse pensioen-BV waarvan hij volledig aandeelhouder is. De Belastingdienst stelde een NiNbi-beschikking vast voor het jaar 2020, waarbij het niet in Nederland belastbaar inkomen werd vastgesteld. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, stellende dat hij niet onder de werkingssfeer van de relevante EU-verordeningen valt en dat de Belastingdienst niet bevoegd is tot het opleggen van deze beschikking.
De rechtbank overwoog dat eerdere uitspraken van het Hof ’s Hertogenbosch en het Hof Den Haag, evenals arresten van het Hof van Justitie van de EU, bevestigen dat personen die pensioen ontvangen uit Nederland, ook als zij in een andere lidstaat wonen, onder de genoemde verordeningen vallen en dat Nederland bevoegd is tot heffing. Tevens werd geoordeeld dat het verstrekken van gegevens aan het CAK geen schending van privacyrecht inhoudt vanwege wettelijke grondslag.
De rechtbank wees het verzoek tot aanhouding af, omdat lopende cassatieprocedures over eerdere jaren geen reden geven tot ander oordeel. De stelling dat de NiNbi-beschikking onjuist is vastgesteld voor de periode na 1 juli 2020 werd verworpen, aangezien de berekening rekening houdt met de woonplaats gedurende het jaar. Het beroep werd ongegrond verklaard, zonder proceskostenveroordeling of schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de NiNbi-beschikking 2020 is ongegrond verklaard en de beschikking is bevestigd.