ECLI:NL:RBDHA:2024:17536
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Syrische nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank behandelt het beroep en constateert een gebrek in de ondertekening van het besluit, maar past artikel 6:22 Awb Pro toe om dit te passeren, aangezien geen belangen van eiser zijn geschaad.
Eiser betoogt dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is, met name dat de minister geen individuele toets heeft gemaakt op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro, en wijst op persoonlijke omstandigheden zoals het huwelijk met een destijds minderjarige vrouw en mogelijke schendingen van mensenrechten in Oostenrijk. De rechtbank oordeelt dat het voornemen een feitelijke mededeling is en dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat geen aanleiding bestond om de aanvraag zelf in behandeling te nemen.
De rechtbank volgt de minister in de uitleg dat de aangevoerde omstandigheden vooral verschillen in beschermingsbeleid betreffen en dat toetsing op indirect refoulement niet binnen de Dublinprocedure kan plaatsvinden. Eiser kan klachten indienen bij Oostenrijkse autoriteiten. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser mag worden overgedragen aan Oostenrijk. Vanwege het ondertekeningsgebrek veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van €1750.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser mag worden overgedragen aan Oostenrijk; de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.