Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep samen met de voorlopige voorziening op 16 oktober 2024 behandeld.
De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België, hetgeen inhoudt dat Nederland erop mag vertrouwen dat België de asielzoeker conform het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en Unierecht behandelt. Dit beginsel is weerlegbaar, maar eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van fundamentele systeemfouten in het Belgische asielsysteem die de hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
Hoewel er opvangproblemen zijn in België, is volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geen sprake van een totale opvangstop of onverschilligheid van de Belgische autoriteiten. Eiser heeft ook geen bijzondere individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt die een uitzondering op de Dublinverordening rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de aanvraag niet hoeft te behandelen.