Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn van 21 maanden, zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, is overschreden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister van Asiel en Migratie op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.
De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 7.500 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Tevens worden proceskosten toegekend aan eiser ter hoogte van € 437,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.
In de bijlage bij de uitspraak wordt het wettelijke kader toegelicht, waaronder de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Procedurerichtlijn. De rechtbank benadrukt dat de Tijdelijke wet dwangsom de bestuurlijke dwangsom in asielzaken heeft afgeschaft, maar dat de rechterlijke dwangsom als sanctie blijft gelden bij niet tijdig beslissen.
Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak. De zaak betreft een bestuursrechtelijke procedure gericht op het afdwingen van een tijdige beslissing op een asielaanvraag.