ECLI:NL:RBDHA:2024:17960
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië ongegrond verklaard
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van zijn aanvraag. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast kon worden vanwege ernstige tekortkomingen in het Kroatische opvangsysteem, zoals vastgesteld door eerdere uitspraken van rechtbanken en voorlopige voorzieningen.
De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt is dat lidstaten van de EU hun verdragsverplichtingen nakomen en dat alleen bij zwaarwegende tekortkomingen die een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro opleveren, van dit vertrouwensbeginsel mag worden afgeweken. Eiser slaagde er niet in dit aannemelijk te maken.
De rechtbank verwees naar recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak die het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië bevestigen. Ook de verwijzing van eiser naar voorlopige voorzieningen bij andere zittingsplaatsen kon het oordeel niet wijzigen. De rechtbank stelde dat eiser zich bij problemen in Kroatië tot de Kroatische autoriteiten moet wenden.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 28 oktober 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.