ECLI:NL:RBDHA:2024:17998

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2024
Publicatiedatum
4 november 2024
Zaaknummer
NL24.25503 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens prematuur ingediende ingebrekestelling ongegrond verklaard

De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposant tegen de uitspraak van 2 oktober 2024 waarbij het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling. Opposant stelde dat op basis van door de minister verstrekte informatie mocht worden vertrouwd dat de beslistermijn was verstreken, maar de rechtbank oordeelde dat de wettelijke beslistermijn leidend is en niet de door de minister aangekondigde termijn.

De rechtbank overwoog dat artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een vereenvoudigde afdoening mogelijk maakt indien het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Bij verzet wordt alleen getoetst of er redelijke twijfel bestaat over het oordeel in de aangevallen uitspraak. De inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden vindt alleen plaats als het verzet gegrond wordt verklaard.

De rechtbank volgde de door opposant genoemde eerdere uitspraak niet en stelde dat de ingebrekestelling pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn kon worden ingediend. Omdat dit op het moment van indiening nog niet het geval was, was de ingebrekestelling prematuur. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bleef in stand.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd zonder zitting gedaan en is definitief, hoger beroep of verder verzet is niet mogelijk.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25503 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant] , opposant

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 oktober 2024 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij uitspraak van 2 oktober 2024 (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan op 4 oktober 2024.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend.
2. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert aan dat hij er op grond van de door de minister verstrekte informatie op mocht vertrouwen dat de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag was verstreken, omdat de minister zelf had aangekondigd dat hij uiterlijk op 4 juni 2024 zou beslissen. Opposant verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 11 maart 2024 [1]
4. Wat opposant heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte tot haar kennelijk oordeel is gekomen. De voor de minister geldende beslistermijn vloeit voort uit de wet en is niet anders wanneer hij zelf zegt te verwachten eerder te kunnen beslissen. De rechtbank volgt de door opposant genoemde uitspraak niet. Eerst na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn kon worden geconcludeerd dat verweerder in gebreke was te beslissen. Dit was nog niet het geval op het moment van het indienen van de ingebrekestelling op 6 juni 2024. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de ingebrekestelling prematuur is.
5. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 oktober 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.