ECLI:NL:RBDHA:2024:181
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser diende op 31 mei 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris verlengde de beslistermijn op grond van de Vreemdelingenwet 2000 met negen maanden vanwege een groot aantal aanvragen. Desondanks werd niet binnen de verlengde termijn besloten. Eiser stelde de staatssecretaris op 26 september 2023 in gebreke en diende op 12 oktober 2023 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelde vast dat de wettelijke beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht werd het beroep gegrond verklaard. De rechtbank bepaalde dat de staatssecretaris binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen, conform het 8+8-wekenmodel dat in eerdere jurisprudentie is bevestigd.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat de staatssecretaris de termijn overschrijdt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50. Hiermee wordt beoogd de naleving van de beslistermijn te waarborgen en de belangen van de asielzoeker te beschermen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.