ECLI:NL:RBDHA:2024:1854
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Handhaving voorlopige voorziening tegen intrekking erkenning erkend referent
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de erkenning als erkend referent door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoekster is een onderneming die deze erkenning verloor, waardoor zij haar activiteiten niet kan voortzetten en een dreigend faillissement ontstaat. Tevens zijn tien werknemers en hun gezinnen hierdoor direct getroffen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het financieel belang van verzoekster zwaarwegend is en dat het dreigend faillissement aannemelijk is gemaakt met onder meer arbeidsovereenkomsten, inleenovereenkomsten en recente salarisstroken. De staatssecretaris betoogde dat verzoekster rekening had moeten houden met het risico van intrekking en dat werknemers een termijn van drie maanden krijgen om elders werk te vinden, maar dit weegt niet zwaarder dan het belang van verzoekster.
De voorzieningenrechter concludeert dat de belangen van verzoekster zwaarder wegen dan het belang van de staatssecretaris bij handhaving van het besluit. Daarom wordt de bij eerdere uitspraak opgelegde voorlopige voorziening gehandhaafd en blijven de besluiten geschorst tot de uitspraak in het bodemgeding. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt gehandhaafd en de intrekking van de erkenning als erkend referent blijft geschorst tot de uitspraak in het beroep.