Opposanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) van 18 augustus 2023. De rechtbank had het beroep eerder kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroeg ingediend beroepschrift, maar opposanten stelden verzet in.
De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling van 21 februari 2024 niet prematuur was, omdat de aanvraag naar aannemelijkheid op 19 augustus 2023 is ontvangen en de wettelijke beslistermijn was verstreken. Het beroep is daarmee tijdig en gegrond.
De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister moet beslissen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500 opgelegd voor overschrijding van deze termijn.
De minister wordt veroordeeld tot betaling van reeds verbeurde dwangsommen van €1.442 aan opposanten en tot vergoeding van proceskosten van €437,50 voor de door opposanten gemaakte kosten van rechtsbijstand. De eerdere uitspraak van 15 juli 2024 komt te vervallen.