ECLI:NL:RBDHA:2024:18886
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking verblijfsvergunning wegens te late indiening
Eiser had op 25 april 2021 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, die door de minister werd ingetrokken vanwege uitschrijving uit de Basisregistratie Personen per 14 april 2020. Eiser diende pas op 15 februari 2024 bezwaar in tegen deze intrekking, ruim na de wettelijke termijn van vier weken. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening.
De rechtbank oordeelt dat het primaire besluit op 16 april 2021 naar het laatst bekende adres van eiser is verzonden, conform artikel 3.104 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hoewel eiser niet meer op dat adres woonde, was hij verplicht dit door te geven. Het niet doorgeven van een nieuw adres komt voor zijn eigen risico en maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
Eiser voerde aan dat hij dakloos was en geen ander adres kon doorgeven en dat het besluit niet op juiste wijze was bekendgemaakt. De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar vaste jurisprudentie dat verzending naar het laatst bekende adres een geschikte wijze van bekendmaking is. Ook het argument dat eiser pas na telefonisch contact met de IND op 2 november 2023 op de hoogte was van de intrekking, leidt niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding omdat het bezwaar pas 15 weken later werd ingediend.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het terugvorderen van griffierecht af en kent geen proceskosten toe. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. Spelt op 12 november 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en het besluit op juiste wijze bekend is gemaakt.