ECLI:NL:RBDHA:2024:18949
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening met betrekking tot Bulgarije
Eiser, met Egyptische nationaliteit, diende op 19 april 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze niet in behandeling omdat Bulgarije verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening, gelet op een eerdere asielaanvraag van eiser in Bulgarije op 26 januari 2024. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege pushbacks, onrechtmatige detentie en systeemfouten in Bulgarije, en dat Nederland de aanvraag onverplicht zou moeten behandelen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd die aantonen dat Bulgarije zijn verplichtingen niet nakomt. De recente jurisprudentie bevestigt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft gelden. Persoonlijke ervaringen van eiser in Bulgarije en de aanwezigheid van zijn broer in Nederland vormen geen bijzondere omstandigheden die een andere beoordeling rechtvaardigen. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro is niet relevant binnen de Dublinprocedure.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.