ECLI:NL:RBDHA:2024:19130
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië afgewezen
Eiser, van Syrische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister van Asiel en Migratie nam zijn aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was, dat Kroatië tekortschiet in de opvang en behandeling, en dat hij risico loopt op schending van zijn rechten bij overdracht. Ook stelde hij dat het besluit onbevoegd was genomen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond is. De persoonlijke omstandigheden van eiser en zijn klachten over Kroatië waren onvoldoende onderbouwd om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het besluit was voldoende gemotiveerd en zorgvuldig genomen, ondanks het formele gebrek dat het ondertekend was door de staatssecretaris in plaats van de minister. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank veroordeelde de verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser. De uitspraak bevestigt het uitgangspunt dat lidstaten mogen vertrouwen op elkaars asielprocedures tenzij zwaarwegende individuele omstandigheden aannemelijk worden gemaakt.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.